Proloog De duisternis voorbij

Niets beweegt, behalve de mist. Zijn wereld bestaat uit bomen die opdoemen zonder samenhang en het silhouet van zijn vader, die voor hem uit stapt. Waar ze heen gaan kan Paolo niet zien, alsof ze in het niets op kunnen lossen. De wereld is grijs en troosteloos.
Zijn vader leidt hem. Paolo moet huppelen om hem bij te houden. Stiekem heeft hij een hekel aan deze uitstapjes. Ook mama had hem liever hier vandaan gehouden, wat zij niet durft te zeggen. Laatst toen zij protesteerde en vader zijn zin niet gaf, droeg zij de volgende ochtend een zonnebril aan tafel.
Paolo’s tegenzin groeit naarmate de bestemming duidelijkere vormen aanneemt; hoge, intimiderende hekken met prikkeldraad en schrikdraad. Net als zijn vader straalt dit een macht en autoriteit uit die nergens voor wijkt. Paolo gaat treuzelen. Zijn vader verdwijnt in de mist.
Zou hij stiekem terug sluipen naar huis? Hij weet niet wat hij moet uitleggen, maar het idee is té aantrekkelijk. Zijn vader zal hem niet gaan halen, daar heeft hij geen tijd voor. Paolo kan zeggen dat hij verdwaald was.
“Paolo? Kun je me horen?”
Zachtjes en akelig dichtbij. Papa klinkt zo neutraal mogelijk. Paolo is op zijn hoede; vaders stemming kan ieder moment omslaan.
“Ja, vader”, zegt hij timide.
“Waarom blijf je staan als ik je zeg door te lopen?”
“Daar heb je niets over gezegd”, zegt Paolo verbaasd.
Zijn vader knielt voor hem neer. Ze zijn nu op ooghoogte. Paolo moet zich bedwingen om niet de andere kant uit te kijken. Die ogen zijn kristalhelder en dwingend. Het gezicht staat weliswaar rustig, de woede straalt ervan af. Gehypnotiseerd staart Paolo hem aan.
Nu heeft hij wel tijd.
“Verkeer je in de veronderstelling mij in de maling te kunnen nemen? Ik heb je vaak genoeg gezegd dat er geen tijd is voor onzin. En kijk niet zo onvriendelijk.”
“Als ik alles fout doe, waarom moet ik dan mee?” zegt Paolo in een opwelling. “Jongen, ik probeer je een fatsoenlijke opleiding te geven. Je moet leren hoe het werkt in de wereld. Dat leren ze je niet in de kleuterklas.”
“Ik ben ook geen kleuter meer.”
Paolo ziet de hand te laat. Deze kletst tegen zijn slaap. Hij glijdt uit en de smak tegen de grond doet nog meer pijn dan de mep. Zijn hoofd zoemt. De stilte die volgt is bizar. De tranen prikken achter zijn ogen. Huilen doet hij niet. Dit heeft hij al afgeleerd voordat hij drie jaar was.
Als een zuil steekt papa boven hem uit en grijpt hem bij zijn kraag.
“Als we straks te laat zijn, omdat jij het nodig vindt om een grote mond te geven, heb jij een probleem. Begrijpen wij elkaar?”
Paolo snapt dit niet. Iemand die zo belangrijk is maakt toch zelf uit hoe laat hij komt? Zijn vader is al opgelost in de mist.
“Papa, wacht!”
Wankel komt Paolo overeind, slaat de modder van zich af en rent. Zodra hij zijn vader heeft ingehaald, sist hij: “Het is niet eerlijk.”
Niemand hoort hem kennelijk.
Een schreeuw vanuit het kamp, smekend. Het bloed trekt uit Paolo’s gezicht. Hij aarzelt.
“Wat nou weer?” snauwt papa.
“Ik eh, ik voel me niet lekker.”
Bezorgdheid glijdt over zijn vaders gezicht.
“Wat voel je dan? Ben je misselijk? Komt het door die klap?”
Paolo vertrouwt het niet als zijn vader zo aardig doet. Papa wil hem in zijn armen sluiten. Het kind probeert zich los te wringen.
“Nee, het is al goed”, sputtert hij.
“Ik wilde je niet zo’n pijn doen. Soms haal ik harder uit dan de bedoeling is. Zullen we het gewoon loslaten en doen waarvoor we gekomen zijn?”
Als papa zo gaat slijmen, komen er twee sensaties boven: walging om iets dat hij niet in woorden kan vangen en opluchting veilig te zijn. Voor even.

Via een ondergrondse tunnel komen ze het kamp binnen. Een kaal veld waar de hekken bovenuit torenen. De nevel maakt het nog naargeestiger. Paolo voelt zich verloren, zwevend, gevangen in een grauwe wereld, waar een vaal schemerlicht doorheen komt. Een licht van schimmen. Hier schijnt de zon nooit en evenmin wordt het nacht.
Cipiers die schreeuwen en gevangenen die gehoorzamen. Hun angst kan hij in zijn botten voelen kruipen. Het verscheurt hem alsof iemand zijn hart uit zijn lichaam rukt. Ze laten zich opjagen als een kudde schapen op weg naar de slachtbank. De geur van rook en bloed prikt in Paolo’s neus. De bittere, vochtige lucht snijdt door zijn kleding heen, schrijnend tegen de wond waar zijn hart zat. Dit is geen plek voor levende zielen. Zo mistroostig, verziekt en vergiftigd.
Vlug verschijnen er een paar ‘kameraden’ van zijn vader. Ze salueren. Zijn vader is gewend aan macht, iedereen springt voor hem in de houding. Het schijnt erbij te horen.
Misschien begrijp ik echt nog niet hoe het werkt in deze wereld.
“Hoe staat het met de operatie?”
Met ‘operatie’ bedoelt vader een plan om leden van het Verzet te strikken. Zo hoopt hij zijn invloed op de buitenwereld te versterken.
“We zijn er hard mee bezig”, haast iemand zich te zeggen.
Er verandert niets in het gezicht van papa.
“Wat is dat voor antwoord? Alleen mensen zonder karakter, die een slag om de arm houden, zeggen zoiets.”
“Als het goed is, is het morgen rond.”
“Bij gebrek aan bekwame Bloodflowers blijft het inderdaad bij denken. Dit gaat gevolgen hebben, ook voor jullie”, zegt hun leider terloops en laat zijn ‘vrienden’ zo achter.
Moest vader dáárom op tijd zijn? Kon hij niet wachten op bericht?

Geef een reactie