Uit Ziek van angst

Foto: Stedelijk Museum

De toenemende passiviteit, door de schijnbare veiligheid die Down-town biedt, verontrust hem. Naarmate ze langer niks doen, wordt het steeds moeilijker uit die comfortzone te komen. Ook is een tragisch figuur geen overtuigende Verzetsleider.
Om toch iets te doen en met een zelfdiscipline die hem verrast, begint hij aan sit-ups, stoten en schoppen en gaat hij touwspringen met een stuk waslijn. Hij houdt zijn vooruitgang bij. Connor, James, Willy, Phyllis en ook Megan op haar manier steunen hem. Ze zijn aangestoken door zijn wankele strijdlust. Om hem moed te geven, trainen ze met hem mee.
Zelfs Megan begrijpt zonder woorden wat ze doen en heeft zich erin vastgebeten op een manier die ieder verrast. Ze gaat zo snel vooruit dat Connor zich afvraagt of zij niet de ware Verzetsleider is, in plaats van hijzelf.

Met een paar kinderen bekijkt Megan een vlieg die in een spinnenweb verstrikt is geraakt. Het zoemt, spartelt en probeert panisch weg te vliegen. Megan weet al wat er gaat komen. Die tekening over Alan’s take-down komt weer naar boven. En de Duistere Zone, toen ze door Nemers werden gevangen.
“Kom dan spinnetje”, zegt een ander meisje, met een ernstige glans in haar ogen. Hij komt. Megan wil de vlieg bevrijden, maar bedenkt zich op het laatste moment. De anderen zullen kwaad worden. Het is een kleine spin, kleiner dan de vlieg. “Kijk eens wat ie doet!” roept een jongen. “Misschien bijt hij zijn kop eraf”.
“Nee hoor”, zegt het meisje uit de hoogte. “Hij spuit de vlieg vol gif, zodat die zich niet meer kan bewegen. Dan maakt de spin er een pakketje van en bewaart het tot hij honger heeft”.
In het web hangen inderdaad al een paar van die pakketjes. De kinderen kijken geboeid toe.

Megan is stiller en onopvallender dan ooit. Met haar grote donkere ogen en korte koppie, vinden mensen haar snoezig. Als ze alleen is, zijn er steeds mensen die zich over haar willen ontfermen. Al die ogen, al die tanden als ze lachen.
Meestal blijft ze dicht in de buurt van mama of papa. Ze verlaat die veiligheid vooral om elk hoekje en gaatje te verkennen, zodat ze precies weet waar ze zich kan verschuilen. Dat is van levensbelang.
Dat ze nu toenadering van vreemden beter lijkt te verdragen, is niet omdat het minder erg is: ze snapt nu dat iets sneller voorbij is en dat mensen je met rust laten zolang je onzichtbaar bent. Haar bewegingen worden trager, haar ogen doffer. Ze storten zich op je als je herrie maakt en tegenspartelt.  Als toch iemand zich met haar bemoeit, verdwijnt ze in haar eigen wereld. Waar vanuit ze antwoorden regelt. Fysiek en sociaal is ze aanwezig, maar ze maakt het niet echt mee. Een les die de confrontatie bij de Duistere Zone haar geleerd heeft. Of eigenlijk al eerder.
Zelfs mama, papa en Connor trappen erin. Ze zijn verheugd en trots hoe ze vooruit is gegaan. Opgetogen dat ze vaak met de kinderen van ‘al die mensen’ meespeelt. Hoewel ze toch niet met kinderen speelt, enkel naast hen. Ze is in staat zich op haar gemak te voelen bij leeftijdgenootjes, maar hun manier van spelen snapt ze niet. Waarom zou je iets met een ander doen, als je het alleen kunt?
Toch geniet ze ervan als iemand trots op haar is.

Het is nog stil in de eetzaal, wanneer Megan onder de eettafel zit. De tafel biedt haar beschutting, terwijl ze tegelijk alles in de gaten kan houden. Ze hoort voetstappen. Twee jongens, van acht en negen jaar, die haar, als er niemand kijkt, knijpen, aan haar haren trekken, laten struikelen of gemene dingen toefluisteren. Waarom weet ze niet. Ze zeggen dat ze gek is, dat ze dwars door mensen heen kijkt en doen dan een zombie na. Megan weet dat ze haar nadoen, maar niet wat ze verkeerd heeft gedaan. Weten ze iets van die tekeningen?
Ze hebben haar gezien, al dacht ze dat ze zich goed verstopt had. Of roken ze haar?
“He, kijk daar eens”, fluistert de een de ander toe. Megan houdt zich stil. Bij volwassenen helpt dat. Zelfs de Blonde Dood keek niet naar haar om.
Normaal is ze nooit bang voor kinderen. Ze weet niet wat er met deze jongens is. Ze stralen een soort energie uit, alsof ze iets ergs van plan zijn.
“Ze ziet weer in haar eigen wereld”, zegt de leider.
“Hé, meissie, zal ik je wat laten zien?”
Megan weet dat ze moet reageren. Ze schudt haar hoofd.
“Het spijt ons dat we lelijk tegen je deden. We willen het graag goed maken”. De ander klinkt ijverig. Megan aarzelt. Ze vertrouwt hen niet, maar als ze weigert, zetten ze haar dat misschien betaald. Met tegenzin komt ze onder de tafel vandaan.
“Laten we een spel doen dat jij heel leuk vindt. Nemertje”.
“Dan ben jij de Nemer”, besluit de kleinste van de twee.
“Hoe heten jullie?” roept Megan, maar ze rennen al weg. “Carlos”, roept de leider over zijn schouder. Megan rent ze achterna, de gangen door. Er zijn hier veel meer gangen dan ze dacht. Ze ziet Carlos en zijn vriendje niet meer. Er gaat een deur open, vlak naast haar. Carlos.
“Ik heb een Zwarte Wolk op mijn kamer, wist je dat?”
“Nee”, piept Megan, die het gevaar voelt. “Dat kan helemaal niet”, stelt ze.
“Jawel hoor, ik laat het zien. Vanaf nu ben jij de gevangene”. Zijn handlanger springt te voorschijn. Ze grijpen Megan, voordat ze kan reageren. Carlos drukt haar mond dicht, zodat niemand haar kan horen. Ze schopt wild met haar benen, maar het haalt niets uit. Ze deur valt achter haar dicht.
Het is donker. Ijskoude, allesoverheersende paniek bevangt haar. Haar gekrijs scheurt uit haar longen. Ze huilt en smeekt om eruit gelaten te worden. Haar vuisten slaan tegen de deur. Ze zit in de val en zal stikken. Haar krachten vloeien weg.

Ze komt bij en ligt op een bed. In Connor’s kamer. Connor en mama en papa zitten over haar heen gebogen alsof ze op ziekenbezoek zijn. Verschrikt veert Megan op. “Heb ik een take-down?”

Geef een reactie